Content
Elkaars taal spreken
In 2007 is het project Elkaars taal spreken van start gegaan. Dit project, waar Albeda College, ROC Zadkine en CED-Groep als partners in samenwerken, wil dat de aansluiting vmbo en mbo drastisch verbetert, en hanteert daarbij de taalontwikkeling als aangrijpingspunt.
Het gaat in dit project om doorlopende taalleerlijnen. De ervaring leert dat taalproblemen een belangrijke oorzaak zijn van doorstroomproblemen en uitval, maar in het gesprek met de projectleiders blijkt dat er ook breder wordt gekeken dan naar taal alleen. Onze gesprekspartners zijn Karin Snoodijk van CED-Groep en Willy Korteweg van Albeda College. Samen met Marjan Sorgdrager is Korteweg namens Albeda College betrokken bij dit project. Van CED-Groep zijn ook Heleen Rutgers, Marijke Bakker en Mignon van Hasselt werkzaam in het project. ROC Zadkine heeft zich begin van dit schooljaar als partner aangemeld en draait inmiddels ook op volle toeren mee. Contactpersoon daar is Ria Verhoogh.
Integratie
Willy Korteweg vertelt over de aanleiding van het project. ‘De gebrekkige aansluiting met het vmbo speelt ons natuurlijk al heel lang parten. In de jaren negentig werd besloten dat het vak Nederlands in het mbo geïntegreerd moest worden in de beroepsgerichte vakken. Dit heeft geleid tot het verminderen of schrappen van de uren Nederlands, een belangrijke oorzaak van de situatie waarin we terecht zijn gekomen. Er werd door de beleidsmakers van uitgegaan dat het basisniveau wel aanwezig zou zijn. Men veronderstelde dat leerlingen het zonder die expliciete aandacht ook wel zouden redden. Het beroepenveld en het bedrijfsleven begonnen echter te klagen over de kwaliteit van het Nederlands bij de gediplomeerde mbo’er. Ook bleek doorstroom naar het hbo een steeds lastiger verhaal te worden.’
Taaleisen
Inmiddels is er het een en ander veranderd. De eisen zijn aangescherpt. De leerling moet voldoen aan de eisen die gesteld zijn in het document Leren, Loopbaan en Burgerschap, aangevuld met de taaleisen voor het beroep zoals geformuleerd in het Raamwerk Nederlands. Zo moeten leerlingen die een niveau 2-opleiding afronden het Nederlands beheersen op niveau B1. Korteweg: ‘Ik vind dit een goede ontwikkeling, want daarmee hebben we een duidelijk richtsnoer. En keert het vak Nederlands, en daarmee de aandacht voor taal als communicatie- en instructiemiddel, vanzelf terug in het mbo.’
Korteweg stelt verder dat er bij de overdracht van leerlingen van vmbo naar mbo een hoop dingen mis kunnen gaan. Zo wordt bij de intake op het mbo, ondanks alle goede bedoelingen, nog te weinig rekening gehouden met wat leerlingen meebrengen vanuit hun vooropleiding. ‘Denk aan dossiergegevens die relevante informatie over de leerling kunnen bevatten. Of denk aan portfolio’s die leerlingen met veel energie en inzet hebben opgebouwd.’
Niet alleen taal
Er is volgens Korteweg bij het vmbo te weinig bekendheid met de programma’s en de manier van werken op het roc. ‘Op het niveau van programma’s is er soms veel overlap. Leerlingen moeten op het mbo soms weer de dezelfde dingen doen, maar dan in een ander jasje, wat de motivatie niet bevordert. Toch kunnen programma ook erg uiteenlopen. Het vmbo legt toch nog vaak een accent op algemene vorming, zelfs in de beroepsgerichte vakken. En er wordt vaak een kleiner beroep op zelfstandigheid gedaan dan waar het roc om vraagt.’
Dus jullie kijken naar méér dingen dan alleen naar taalvaardigheid? ‘Jazeker, die komen natuurlijk ook ter sprake. Het gaat niet alleen om talige barrières, maar bijvoorbeeld ook om de manier waarop leerlingen zelfstandig met de stof kunnen omgaan en hun studieverloop kunnen plannen. De mbo-opleiding stelt op dat gebied best hoge eisen aan leerlingen. Het is goed dat scholen dat van elkaar zien en daar consequenties aan verbinden.’
Robuuste aanpak
Waarom is de CED-Groep bij het project betrokken? Karin Snoodijk van de CED-Groep: ‘Wij zijn, in opdracht van de gemeente, bezig met een omvangrijk project, de ‘robuuste aanpak taal/lezen’. Deze aanpak strekt zich uit over het hele onderwijs, van vroeg- en voorschools tot aan het middelbaar beroepsonderwijs. Doel van de robuuste aanpak is om door middel van een afgewogen pakket aan maatregelen de taalprestaties van leerlingen, met name op lezen, op te krikken. Mijn collega’s en ik hadden de opdracht het project ‘Doorlopende taallijnen vmbo-roc’ vorm te geven. En daarin elementen van de robuuste aanpak te verwerken. Aangezien onze ambities naadloos aansloten bij het project Elkaars taal spreken, hebben we aansluiting gezocht bij dit project van Albeda College en ROC Zadkine. We bleken elkaar goed te kunnen vinden in opzet en strategie en de betrokken organisaties zagen ook onmiddellijk mogelijkheden om het project te versterken met de expertise van de CED-Groep op het gebied van taal.’
Concreet
In het verleden zijn er volgens Korteweg heel wat pogingen ondernomen om iets aan de aansluitingsproblematiek te doen. ‘In dit project hebben we besloten een concreet punt te pakken, en wel taal. We hebben juist dít element gekozen omdat effectieve beheersing van het Nederlands zo belangrijk is. Taal is cruciaal voor de toekomstige beroepsuitoefening, voor het vinden van een baan, maar ook als middel om te leren. Bovendien, door taal als aangrijpingspunt te nemen, mobiliseer je degenen in vmbo en mbo die dag-in-dag-uit met de taalontwikkeling van hun leerlingen bezig zijn.’
Karin Snoodijk geeft aan welke scholen er deelnemen vanuit het voortgezet onderwijs. Op dit moment zijn dat Penta College Oude Maas, Melanchthon Laanslootseweg, ZPC Rotterdam en Nieuw Zuid. In het project vormen docenten van de deelnemende scholen (vmbo en roc) koppels. In die samenstelling kijken ze naar elkaars taalonderwijs en aanpak, opleidingseisen en taalprofielen, om zo te komen tot een afgestemde aanpak. Snoodijk: ‘De eerste ervaringen zijn bemoedigend. Met Penta College hebben we bijvoorbeeld afgesproken dat de docent op het mbo lessen bouwtechniek gaat bijwonen. En daar ook concrete ondersteuning gaat bieden. Ook is er een training voor docenten mobiliteit (van techniek) gepland. We willen toe naar een eindsituatie waarin doorlopende (taal)leerlijnen zijn vastgelegd aan de hand van duidelijke markeringspunten. Leerlingen bouwen gedurende hun opleiding een taalportfolio op en er worden periodiek taalontwikkelingsgesprekken met hen gevoerd.’
Taal en beroepsgerichte vakken
Korteweg en Snoodijk benadrukken dat niet alleen de taaldocent betrokken wordt in het project. Die gaat in zijn eentje het aansluitingsprobleem niet verhelpen. Het project haalt ook de overige docenten erbij. Docententeams moeten mét elkaar zorgen dat taal en vak hand in hand gaan. Het gaat om de gezamenlijke verantwoordelijkheid van een docententeam dat een leerling niet uitvalt op taal.
Korteweg benadrukt dat het project bewust een voorzichtige strategie kiest. ‘Niet van: wij komen het jullie eens vertellen, maar rustig aftasten. We treden elkaar met respect en oprechte nieuwsgierigheid tegemoet.’ Het is de bedoeling dat docenten van voorgezet onderwijs en mbo van elkaar leren. Het vmbo oriënteert zich op wat leerlingen in de mbo-opleiding moeten bereiken en hoe zaken daar worden aangepakt. Terwijl mbo-docenten zich verdiepen in de manier waarop leerlingen in het vmbo worden voorbereid op de tweede fase. Samen sporen docenten de overlap en lacunes op en gaan daarmee aan de slag.
Ook bedrijfsleven betrekken
Willy Korteweg vertelt tot besluit dat inmiddels ook Roteb, het Rotterdamse vervoerbedrijf, bij het project betrokken is. Daarmee komt feitelijk de hele kolom in beeld, van vmbo via mbo naar de bedrijfsopleiding en de feitelijke werkplek. Daar immers worden de talige eisen bij uitstek concreet. Korteweg: ‘Het bedrijfsleven weet bij uitstek waar de manco’s liggen bij de deelnemers. En dat is toch waar we met z’n allen naar toe werken: dat leerlingen in alle opzichten competent in bedrijf en overheidsdienst terechtkomen.
Informatie
Nadere informatie over het project is te krijgen bij Heleen Rutgers.
Dit interview is eerder gepubliceerd in VO Nieuws 9 (april 2008)