Gini van Wijnen burgerschapsbeleid

Burgerschap: het wiel opnieuw uitvinden en waarom dat juist goed is

Hard werken, mooi aanbod, goede bedoelingen. En dan toch die herstelopdracht. Ongeveer 60% van de onderzochte scholen kreeg een herstelopdracht voor het burgerschapsonderwijs, aldus de Staat van het Onderwijs 2025. Scholen doen veel, maar toch blijkt dat in de praktijk niet voldoende om aan de eisen te voldoen. Wat gaat hier mis? En wat kunnen scholen nu het beste doen?

Onderwijsadviseur Gini van Wijnen gaat de diepte in, met concrete voorbeelden uit haar dagelijkse praktijk.    

Altijd nieuwsgierig 

Als dochter van een dominee groeide Gini op met veel kaders. ‘Maar we verhuisden wel een aantal keer, naar andere provincies, naar dorpen en naar steden. Ik heb dus aan de ene kant gevoeld hoe het is om in een mal te moeten passen, en aan de andere kant hoe is het om anders te zijn. Daar is voor mij een zaadje geplant: hoe ga je om met verschillen? Hoe zorg je dat iedereen zich welkom voelt zoals die is?  

‘Mijn nieuwsgierigheid heeft me daarin veel gebracht. Die nieuwsgierigheid zie ik ook bij leerlingen en bij veel onderwijsprofessionals. Je kunt zoveel bereiken door daarin te investeren. Daar geniet ik zo van tijdens mijn werk.’ 

Haar interesse in andere culturen maakte de reiziger in Gini los. ‘In het buitenland krijg ik zoveel energie van alles wat anders is. Waarom doen mensen wat ze doen? En wat doe ik vervolgens? Dat voedt mijn nieuwsgierigheid enorm. Door steeds weer buiten mijn comfortabele zone te stappen heb ik geleerd om opener en inclusiever naar andere mensen te kijken. Ook in Nederland.’ 

Wat is er aan de hand? 

‘Het aanbod van de meeste scholen zit vol mooie burgerschapsinitiatieven, waaronder programma's gericht op sociaal-emotioneel leren en andere competenties van de kerndoelen,’ vertelt Gini. ‘Maar goed burgerschapsonderwijs gaat verder dan een plan op papier hebben en een inventarisatie van al die mooie initiatieven.’  

De Inspectie van het Onderwijs kijkt naar vier punten:   

1 Is er een doelgericht plan, met aanbod dat aansluit bij de leerlingenpopulatie? 
2 Is het aanbod samenhangend? 
3 Herkenbaar: klopt de praktijk met wat op papier staat, en andersom? 
4 Hoe evalueert de school het aanbod? 

 Hieraan voldoen blijkt in de praktijk uitdagend. Toch ziet Gini dagelijks dat het kan. ‘Het begint allemaal met de visie en de identiteit van de school. Wat voor leerlingen hebben zij? Wat hebben deze kinderen nodig om zich onderdeel te voelen van de maatschappij en er een steentje aan bij te dragen? Die combinatie van visie, afstemming op de leerlingen en samenhang vraagt om keuzes.’   

Lees het praktijkverhaal van obs Prinses Margriet

‘Het begint met een visie. Deze stap is essentieel om tot een goed plan te komen.’

Een pasklaar antwoord? Dat is er niet 

De wet en het waarderingskader van de inspectie geven richting. Daarnaast zorgen de nieuwe kerndoelen voor houvast, maar een uitgewerkt programma is het niet. Ze beschrijven de thema's en doen suggesties hoe scholen die thema's naar leerdoelen kunnen vertalen. Maar wat de leerlingen precies moeten leren en hoe, dat is aan de scholen.   

Gini krijgt vaak de vraag: wil je ons in een paar sessies helpen om een plan op papier te zetten? ‘Maar om tot een goed plan te komen dat de hele schoolcultuur beïnvloedt, heb je echt het hele team nodig.’  

Het ontwikkelen van goed burgerschapsbeleid is een heel proces, weet Gini uit haar praktijk. ‘Eigenlijk schrijf je het hele curriculum tot in de puntjes uit. Dat schud je niet even uit je mouw én het resultaat is op iedere school anders. Ik zie het als een kans om te investeren in het team en de schoolcultuur. Het is ook een vliegwiel voor de ontwikkeling naar curriculumbewust handelen.

‘Eigenlijk schrijf je het hele curriculum tot in de puntjes uit. En dat ziet er op iedere school anders uit.’

Waarom moeten wij het wiel uitvinden? 

‘Ik krijg die vraag vaak en dat snap ik heel goed,’ zegt Gini. ‘Maar ik begrijp ook dat de overheid, als het om burgerschap gaat, maar beperkt kan en wil voorschrijven wat scholen aan leerlingen moeten overbrengen, en hoe. Dit gaat om de vrijheid van onderwijs.  

‘En minstens zo belangrijk: het gaat ook om het benutten van de kennis die leerkrachten en scholen zelf hebben over hun leerlingen en hun achtergronden. Wat werkt in Den Haag, bereikt niet dezelfde effecten als in een dorpje in Friesland. Doelgericht burgerschapsonderwijs helpt om die expertise van leerkrachten te benutten en versterken.’  Om een vertaalslag te maken van de abstracte kerndoelen naar een concreet plan, moeten scholen eerst terug naar hun eigen context.  

In de ideale wereld gaat iedere school hierover in gesprek 

  • Wie zijn onze leerlingen en op welke punten zien we dat ze zich nog moeten ontwikkelen?
  • Wat betekenen democratische waarden en uitgangspunten voor ons en voor onze leerlingen en ouders?
  • Wat gunnen wij onze leerlingen, en hoe sluiten wij aan op wat kinderen van huis uit meekrijgen?’  

‘Pas daarna kun je bepalen wat deze leerlingen specifiek nodig hebben binnen burgerschapsonderwijs.’ 

Bijvoorbeeld

Een openbare school met veel kinderen met een religieuze achtergrond weet: als we seksuele diversiteit expliciet gaan bespreken, dan gaat dat weerstand oproepen bij veel ouders. Zo'n school zal waarschijnlijk kiezen voor een subtiele aanpak, waarbij zij bijvoorbeeld ook inzetten op de dialoog met ouders en het versterken van empathie bij leerlingen voor verschillende vormen van diversiteit in de leerlijn. Op een andere openbare school met een andere leerlingenpopulatie hangt misschien wel een regenboogvlag en integreert het team juist een explicieter lesprogramma in de leerlijn.   

Dit laat zien: dezelfde wettelijke opdracht leidt tot verschillende keuzes, afhankelijk van de context van de school. Beide scholen willen de democratische waarde ‘respect voor diversiteit’ (in dit geval seksuele diversiteit) meenemen in hun onderwijsaanbod, maar om het goed te laten landen ontwikkelen ze een andere leerlijn. 

Een doorgaande lijn 

Als scholen hun eigen hoofddoelen hebben bepaald, begint het bouwen van een doorgaande leerlijn. Hier bepalen scholen niet alleen wát leerlingen moeten leren, maar ook: met welke opbouw in kennis, vaardigheden en houding?  

Bijvoorbeeld

Stel: je wilt leerlingen leren hoe democratie werkt. Een standaardaanpak zou kunnen zijn: uitleggen hoe stemmen werkt, wat rechten en plichten zijn, en hoe de overheid is opgebouwd. Maar werkt dat voor elke leerling? 

‘Denk aan kinderen van ouders die slachtoffer zijn van de toeslagenaffaire,’ zegt Gini. ‘Voor hen is vertrouwen in de overheid helemaal niet vanzelfsprekend. Als je deze leerlingen direct een les geeft over stemmen, is de kans groot dat het leerdoel ‘zelf in de toekomst naar de stembus gaan’ niet bereikt wordt. Niet omdat de inhoud niet klopt, maar omdat de ervaring van de leerling niet aansluit op de boodschap.’ 

In zo’n situatie vraagt burgerschapsonderwijs iets anders, bijvoorbeeld: 

  • eerst ruimte voor gesprek en erkenning
  • oefenen met inspraak in de klas of school
  • ervaren dat hun stem wél effect heeft 

Pas daarna kun je toewerken naar abstractere doelen zoals deelname aan de democratie. De route naar hetzelfde einddoel is dus anders.

Curriculum ontwikkelen

Gini: ‘Bij curriculumontwikkeling bepaal je: wat bied ik aan in de onderbouw, hoe bouw ik daarop voort in de middenbouw, en hoe pakken we het aan in de bovenbouw? Het gaat dan om kennis, vaardigheden en houding.’  

Bijvoorbeeld

Gini geeft een voorbeeld uit het plan van een school die ze begeleidt. Het gaat om het hoofddoel 'diversiteit'. 

  • Kennis over verschillen (o.a. culturen, religie, achtergrond, seksualiteit, gender, fysiek en mentaal, sociaaleconomisch).
  • Vaardigheden om discriminattie te voorkomen, te herkennen, in te kunnen schatten en te kunnen bespreken.
  • Vaardigheden om op een respectvolle manier met elkaar te kunnen communiceren en om te gaan met meningsverschillen.
  • Een open, respectvolle houding waarin we elkaar accepteren.
  • Een geïnteresseerde houding in jezelf en de ander. 

 

  • Onderbouw:
    • Ik kan eenvoudige verschillen benoemen
    • Ik kan samen spelen met verschillende kinderen
    • Ik luister naar de verhalen over andere kinderen en culturen 
       
  • Middenbouw:
    • Ik kan verschillen benoemen zonder te oordelen
    • Ik kan vragen stellen over gewoontes of gebruiken van anderen
    • Ik kan samenwerken met kinderen met andere achtergronden 
       
  • Bovenbouw:
    • Ik kan een gesprek voeren over (on)gelijkheid en vooroordelen
    • Ik kan uitsluiting of discriminatie in situaties herkennen en benoemen 

Burgerschap gebeurt niet alleen tijdens de burgerschapsactiviteiten 

De school is een democratische oefenplaats. Leerlingen leren niet alleen van wat je vertelt, maar ook van wat ze dagelijks ervaren. Dat betekent dat scholen bewust moeten nadenken over vragen als:   

  • Hoe geven we leerlingen inspraak?
  • Hoe gaan we om met meningsverschillen?
  • Wat doen we als leerlingen discriminatie ervaren?
  • Hoe zorgen we ervoor dat iedereen zich veilig voelt?
  • Hoe is ieder teamlid een rolmodel? 

Juist in dagelijkse situaties worden democratische waarden zichtbaar. Leerlingen inspraak geven bijvoorbeeld. ‘Dat kan spannend zijn voor leerkrachten,’ weet Gini. ‘Maar leerlingen kunnen je zo verrassen.’ 

Bijvoorbeeld

‘Ik werkte op een school met een leerkracht die terughoudend was om leerlingen inspraak te geven. Hij verwachtte dat leerlingen vooral zouden zorgen voor onrust als zij meer invloed kregen op de les. Toch besloot hij het te proberen. Tijdens een Vreedzaam-les vroeg hij zijn leerlingen mee te denken over de lesagenda.Tot zijn verrassing kwamen leerlingen met doordachte suggesties. Ze voelden zich gehoord en de betrokkenheid nam direct toe’.  

Juist door dit soort leerkrachthandelen niet alleen in burgerschapslessen toe te passen, maar als routine in je klassen- en schoolcultuur in te bouwen, laat je leerlingen die democratische oefenplaats ervaren.  

‘Leerkrachten zijn in de positie om sociale normen te creëren. Als ik dat zie gebeuren, dan ben ik daar zo blij mee.’ 

De weg naar samenhangend burgerschapsonderwijs: in het kort 

1. Begin bij visie én leerlingpopulatie 
Waar staan we als school voor? Wie zijn onze leerlingen? Wat hebben zij nodig om zich onderdeel te voelen van de samenleving en daar constructief aan bij te dragen? 

2. Vertaal dat naar concrete doelen 
Welke kennis, vaardigheden en houdingen willen we ontwikkelen? En waarom juist deze? 

3. Bouw een samenhangende leerlijn 
Hoe werken lessen, activiteiten en routines samen aan die doelen? Wat bied je aan in de onder-, midden- en bovenbouw? 

4. Maak burgerschap zichtbaar in de schoolcultuur 
Zorg dat de gekozen waarden niet alleen in lessen worden overgedragen, maar ook zichtbaar zijn in dagelijks gedrag, besluitvorming, inspraak en omgangsvormen binnen de school. 

5. Evalueer en stel bij 
Wat levert het aanbod op? Sluiten de doelen nog aan bij de leerlingen? En waar is bijsturing nodig? 

Ben je benieuwd hoe je school er nu voorstaat?  
Vul dan de burgerschapsscan in. 
 

Burgerschapsbeleid als kans

‘Ik gun het scholen dat zij burgerschapsbeleid niet zien als een verplicht plan, maar als een kans om als team bewuste keuzes te maken in wat leerlingen echt nodig hebben,’ besluit Gini. ‘Die stap naar curriculumbewust handelen is ook heel waardevol. Dat geldt voor alle vakken, maar misschien nog wel het meest bij het niet-in-hokjes-te-stoppen mensvak burgerschap.’ 

Aan de slag? 
‘In de begeleiding van scholen staan de mens en de teamcultuur voorop,' vertelt Gini. Maar we werken ook met handige tools, zoals een format voor het beleidsplan. Verder gebruiken we werkvormen om het juiste gesprek te voeren met de teamleden en de juiste informatie bij elkaar op te halen, om tot een samenhangend aanbod te komen.’

Kun je wel wat ondersteuning gebruiken? 

Aan de slag met het burgerschapsonderwijs
x